De volle maan verlicht de achterkant van de massieve Eiger als ik even na drie uur ’s ochtends naar de start loop. Ze torent hoog boven doodstille straatjes waar het overdag stikt van de Chinese, Arabische en Japanse toeristen die postcardperfect Zwitserland willen fotograferen. Maar op het centrale plein is het plotseling een gezellige drukte. Zo’n zevenhonderd prettig gestoorde trailrunners komen bij elkaar voor Hét Berglauf Event van het alpenlandje. De Eiger Ultra TrailHarder than the North Face solo– zoals de wedstrijdwebsite het vol trots aankondigt. Als klimmer moet ik daar stiekem om lachen. Er zullen weinig trailers zijn die die vergelijking kunnen maken. De Eiger Noordwand is beroemd én berucht. De eerste beklimming in 1936 is mooi beschreven door Heinrich -Seven Years In Tibet- Harrer in ‘De Witte Spin’. Die witte spin, de bijnaam voor het bovenste ijsveld, is inmiddels klimatologisch tot een speldenprik gereduceerd. De temperaturen vandaag helpen daar ook niet aan mee; zelfs op het hoogste punt van de route zal het kwik niet onder de 20 graden dalen vandaag. De verplichte handschoenen en thermohemd kunnen in de rugzak blijven. Er zullen extra waterposten worden ingericht.

Zelf probeer ik een voorstelling te maken van een trail van 101km. Maar dat lukt niet. Na Rotterdam trainde ik door op nóg langere duurlopen met zoveel mogelijk hoogtemeters. Hoofdschuddend werd ik nagekeken op het Kwartelpad als ik weer eens m’n zoveelste rondje omhoogliep. Op de Rotterdamse Alp powerwokte ik me in het zweet. Elk Meijendelduintje dat maar enigszins renbaar was, werd afgevinkt. In mei deed ik de Koning van Spanje Ultra: drie dagen achterelkaar in de Limburgse heuvels. En nog haalde ik na dat weekend ‘maar’ 90km en 2000 hoogtemeters. Vlak na mijn zomerse Covid griepje gingen we met een zestal lopers van LG1 naar Oostenrijk voor een trail. Waar Jeffrey, Niels, Moniem, Martin en Eric nog vrolijk over steentjes en boomstronken huppelden, liep ik met lood in m’n kuiten een snikhete 57km trail. En dat vond ik al ver. Ik besluit de 101km op te delen in verslindbare hapjes. Een olifant eet je in schijfjes, de Eiger Ultra is eigenlijk een etapperace die een etmaal duurt.

Vlak voor de start word ik door Marc Weening, de eigenaar van MudSweatTrails en ook een goede trailrunner, nog succes gewenst. Hij staat op het punt om zijn lopers op te gaan vangen op de Faulhorn, de 2.800 meter hoge berg waar ook later op de dag de 51km lopers langs zullen komen. “Ik zie je daar wel bij de koffie!”, hoor ik mezelf zeggen. Ik schrik ervan. Over zes uur wil ik er zijn volgens het schema. Maar dat voelt nu tussen al die ervaren toppers een wel erg ambitieus plan.

Na het startschot van vier uur roffel ik tussen dansende rugzakjes de Bahnhofstrasse af. Boven het dorp gaat het geluid over in honderden klikklaks van de trailstokjes die bijna iedereen bij zich heeft. Ik leid onder de Wetterhorn een grote groep de eerste single trail op. Tenminste, dat ontdek ik als ik even omkijk. Een lange sliert koplampjes dat tot in het dal zichtbaar is. Een half uur sneller dan gedacht sta ik op de Grosse Scheidegg. In het Oosten komt de zon knalrood op. Een prachtig gezicht over de vele gletsjers in de verte. Maar ik wil snel door, prop een banaan naar binnen en begin aan de eerste afdaling. Steil en knalhard voor bovenbenen en knieën. Ik ben blij dat de volgende uphill zich alweer snel aandient. Wie goed kan trailen moet goed kunnen afdalen; technisch is dat niet zo’n probleem, maar wij Laaglanders kennen vrij weinig lange afdalingen in ons kikkerlandje. Onze spieren en pezen zijn daar simpelweg niet op ingesteld. En dat merk je bijna meteen in de wedstrijd.

De trail beweegt zich als een verjaardagsslinger over de bergrug boven Interlaken. Om kwart voor tien bereik ik na een oneindig durende klim de Faulhorn. Mark is verbaasd over m’n snelheid. Ik ook. Een derde van de wedstrijd zit er pas op. Maar het moeilijkste moet nog komen. Terwijl ik begin aan de lange traverse vol steenblokken naar Schynige Platte, dartelen de eerste km51 koplopers mij voorbij. Ze steken een stuk af van onze route en zijn om zeven uur gestart. Alsof ze gewichtloos zijn springen ze met hoge snelheid van steen tot steen. Ik voel me een lompe beginneling. Langzaam dalen we af, soms uitwijkend voor wandelaars, dan weer met een scherpe klim over pasjes en om rotsformaties heen. De hitte neemt toe. Fors toe ook. 2000 meter lager waar de lifebase Burglauenen is, is het minimaal tien graden warmer. Na een uur door een steil bos vol boomstronken en smalle paadjes staat Caroline mij op te wachten. M’n hielen en knieën doen behoorlijk pijn. Als ik mijn schoenen en sokken uittrek zie ik Caroline schrikken; Het vel van mijn beide hielen ligt er volledig af. Snel maakt ze de wonden schoon en plakt ze Compeed er op. Ik probeer zo goed en kwaad als het kan een bord pasta leeg te eten. Om mij heen zie ik jonge jongens volledig op apegapen zitten. Veel kiezen hier voor de optie om de weg van de 51km te vervolgen. De extreme hitte begint langzaam het veld uit te dunnen.

Op m’n voorvoeten vervolg ik de lange klim naar Wengen. Da’s het voordeel van lange uphills bedenk ik me; De hielen worden nog even gespaard. In Wengen op 60km bunker ik Pringles en cola. Blijven eten en drinken is de beste methode om door te kunnen gaan. Caroline heeft er inmiddels een liftjesmarathon opzitten en is er ook. Boven het dorp hangt de Muur van Wengen als een enorm blok graniet over ons heen. Negenhonderd meter steil omhoog langs lawinehekken en steenstort. Met de zon die keihard in die wand schijnt. Ik probeer aan iets anders te denken. In een gestaag tempo gaat het omhoog, de boomgrens voor de vierde keer vandaag verlatend. Wéér met een sliert Zwitsers en Italianen achter mij aan. Gelukkig blijft mijn hartslag relatief laag. Kwestie van efficiënt doseren van energie met een juiste stokinzet. En geconcentreerd blijven op die ene steen die je uit je ritme kan brengen. Halverwege de wand is met een heli water ingevlogen. Vrijwilligers van het lokale bergreddingteam delen uit. Zwitsers laten weinig aan toeval over. Wellicht één van de redenen waarom er heel weinig incidenten zijn tijdens de Eiger Ultra. Als er een bergkraai vlak langs mij heenzoeft, weet ik dat de top van Männlichen niet meer ver weg is. Even later puf ik uit bij het bergstation van de kabinebaan. Ook hier veel uitvallers. De medische teams zijn streng. Zelfs Hidde, toptriatleet en mede TransAlpiner van vorig jaar, wordt hier uit de race gehaald. Dit jaar halen 1 op de 2 atleten de finish van de 101 niet.

Met pijnlijke knieën en loopvlakken die voor de helft inzetbaar zijn, hobbel ik naar de Lauberhorn. Over de skipiste van de fameuze Abfahrt naar Wengen schuif ik her en der wat verbaasde koeien opzij. Ik heb geen puf meer om om ze heen te lopen. Samen met een boomlange Italiaan lopen we naar de verzorgingspost op km 77: de remise van de Jungfraubahn op Kleine Scheidegg onder de Eiger Noordwand. Tussen de rode treintjes giet ik mij weer vol met cola, kauw ik mueslirepen weg, neem een paracetamol en vul ik mijn watervoorraad aan. Over de morenerug, waar ook het parcours van de Jungfraumarathon z’n laatste kilometers kent, klimmen we naar Station Eigergletscher. De zon staat inmiddels laag, dikke wolken pakken zich samen tegen de Eiger. Met mobiele uitleesapparatuur wordt m’n startnummer gecheckt. Echt op tijd loop ik niet meer. Als hersengymnastiek probeer ik nog wel een eindtijd te berekenen. Ik heb nog vier uur om voor middernacht te finishen. Met nog 20km voor de boeg moet dat lukken, hou ik mezelf voor. De trail loopt langzaam naar beneden, vlak onder de imposante Eiger door. Enorme watervallen komen naar beneden. Ik herken de rode rotspijler waar Harrer met z’n touwmaatjes de wand inklom. Zelf kan ik weer wat vaart zetten. In de schemering bereiken we met een groepje het checkpoint in Alpiglen, een oude koeienstal net onder de boomgrens. Langs de wand boven ons installeren zich bergredders met honden voor de nachtelijke uren. Als ik rond half tien de laatste klim inga, is het in het bos pikkedonker. M’n Garmin valt uit. In alle zenuwen vergeten om op Ultramode te zetten. Op uitstekende rotsen is door de organisatie lichtgevende spray gespoten. En lightsticks in de bomen. Met mijn koplampje kan ik vrij goed de weg zien, maar het tempo is eruit; Te veel stronken op het pad. In de diepte echoën muziekflarden van de finish. Dan hoor ik na vierhonderd steile hoogtemeters plotseling gejoel en geklap. De laatste verzorgingspost duikt op. Een slok cola en ik duik de afdaling in. Ik hoor de rivier beneden maar zie niets; het dal moet niet ver meer zijn. Maar de weg slingert oneindig lang door de bossen. Dan wordt het vlak. Ik zet nog het laatste stuk aan, vastbesloten om vier mannen, die mij in de afdaling passeerden, in te halen. Venijnig zet ik de laatste honderd hoogtemeters mijn stokjes in het asfalt. Dan duikt de verlichting van het dorp op.
Voor ik het besef loop ik over het rode tapijt de finishboog onderdoor; Negentien uur en drieëndertig minuten na de start. Ik voel me leeg maar tevreden. Met als medaille een stukje Eigersteen om m’n nek. De eerste honderd kilometer race smaakte goed. Negende in de M55 tussen de Zwitserse bergbokjes. Dat doet de pijn snel vergeten. Met Caroline loop ik de laatste nachtelijke 200 hoogtemeters naar het hotel. Het aanbod van de eigenaresse om mij op te halen had ik vriendelijk afgeslagen; dat maakt op die afstand toch niet veel uit. Boven ons is een prachtige kralenketting van koplampjes zichtbaar onder de Eiger; Lopers die nog vier uur moeten doorploeteren tot de finish; Ik ben zielsblij de race voor middernacht afgemaakt te hebben.